Workshop Taal

 

workshop taal door kees wennekendonk

Ondergetekende kreeg het verzoek om aan de Rekenkamer Metropool Amsterdam een workshop te geven, als liedjesschrijver. Leuk! Spannend. Maar ik moest wel eerst even op zoek naar de vorm. Hoe geef je mensen die cijfers van de gemeente Amsterdam doorlichten iets mee waar ze wat aan hebben? Ik las een rapport op hun website en kwam op het idee ze dit lijvige werk in drie verschillende liedvormen samen te laten vatten. Plus nog een paar dingen. Men vond het een goed idee.
Dus op een mistige morgen toog ik naar het Blauwe Theehuis in het Vondelpark. Gitaar mee.
Een advies over welke reserves de stad Amsterdam heeft ingesteld, hoe groot die zijn, en welke ruimtes daarin beschikbaar zijn, en hoe inzichtelijk dit alles was, werd door drie groepjes van zes gegoten in 'De Noordzee', van Boudewijn de Groot (Daar kwam de Spanjaard dreigen, te roven ons het goud), 'Dodenrit', van Drs P., en 'Is dit alles', van DoeMaar. Het resultaat was leerzaam en hilarisch tegelijk.
Verder gaf ik overwegingen over wat wel, en wat niet te vertellen, via het verhaal 'Mangrove'. Het voert te ver dit verhaal hier helemaal weer te geven, vraagt u mij er maar eens naar. En iets over de rekenkamer van mijn moeder dat u al kent. (Zie postje 'Mijn moeder...' hieronder)

Tot slot zong ik een lied op een tekst van Ingmar Heytze, waar de taal zo mooi verdicht is, dat iedereen zich er een voorbeeld aan kan nemen.

17-10-2016

 

Ritje waarin ik een racist, een redder en een verrader werd

 


Een mooie zomeravond. Warm, niet drukkend, een lekker westenwindje. 's Middags had ik al gefietst, maar dat was een kort stukje naar mijn moeder heen en terug, en dat telde niet. Er moest nog een rondje bij. Hoewel de wind west stond koos ik op gevoel voor een retourtje Hilversumse hei, pal naar het noorden. Het rondje om de hei zou ik dan tegen de klok in rijden, dan had ik op het mooiste stuk daarvan de wind in de rug.

Bij Hollandsche Rading dook ik het bos in, en nam na een kilometer of twee linksaf het lange lange schelpenpad dat De Hollandse Sloot heet. Een vrijwel kaarsrechte lijn die bijna ononderbroken naar de hei tien kilometer verderop leidt, en tevens de grens tussen Utrecht en Noord Holland markeert. O ja: dat is ook zo: een Rading was een soort grens, schoot mij weer te binnen.

Het was nog warm, het bos ademde uit. Ik reed met een kalm vuur erdoorheen. Langs ijkpunt restaurant Kievitsdal, en verder door Hooge Vuursche over het spoortje tussen Hilversum en Baarn.
Eenmaal via het hier licht slingerend pad op de hei gekomen zag ik erboven de grote wolken hangen hangen. Ik overwoog een foto te nemen, maar bedacht dat ik deze hei en lucht al had. Eerst rechtdoor langs Blaricum, waar nu een groot AZC was gevestigd in een oude legerkazerne, dan linksom bij Bussum. Gelukkig weinig losgelaten honden op het smalle fietspad. Vol gas!

En dan in de hoek bij Hilversum Mediapark ineens wind mee. Trappen ging vanzelf, je hoorde alleen het knerpen van de bandjes tegen de schelpen. Varen door de hei. Ik pakte mijn iPhone en begon een filmpje te maken terwijl ik reed. Fijn dat de app het filmpje straks zelf stabiliseerde.
Na een paar honderd meter zag ik een witte stip op het paadje bewegen. Een blonde jonge vrouw in wit mini-jurkje, met ‘oortjes’ in, bleek, toen ik haar dichter genaderd was. Ze hield rechts, gelukkig.
Honderd meter verderop was er een soort brede bomenrand, duisterder. In het midden daarvan een venster waar weer licht doorheen kwam: het fietspad leidde naar de volgende heide. Ik minderde vaart toen ik weer in de zon terecht was gekomen, en maakte een soort overzichtspanbeweging tot slot, eindigend in de blauwe lucht. Ik borg de camera weer op en vervolgde mijn tocht.
Ik passeerde een bankje met daarop twee mannetjes van een jaar of 45-65. Zo te zien vluchtelingen uit het AZC. Syrisch, Afghaans? Of gewoon wandelaars uit Turkije die hier al decennia wonen? Ik groette ze vriendelijk, ze groetten vriendelijk terug. Tweehonderd, driehonderd meter verder kneep ik in de remmen. Ik ging staan nadenken over iets dat me te binnen was geschoten.

Ik aarzel om het te vertellen, maar wat me te binnen schoot: dat meisje loopt zometeen ook voorbij dat bankje met die vluchtelingen c.q. buitenlanders. Ja? Nou en? Nou, gaat dat wel goed, is dat wel veilig? Ja hallo, ben jij nou ineens xenofoob geworden? Nee toch? Het feit alleen al dat je aarzelt. Maar moet ik dan niet op mijn gevoel varen? Het kan toch geen kwaad even te kijken of alles oké is? Hm ja, maar dan ga je er dus vanuit dat er iets KAN gebeuren. Hier schoot mij een Grote Gedachte binnen. Als ik doorreed en ik zou ’s avonds horen dat er iets gebeurd was, dan zou ik het mezelf nooit kunnen vergeven, en het is een kleine moeite. Grote Gedachte Twee meldde zich: al is de kans maar 1 op de vijftigduizend: het gaat om die ene kans. Dit twijfelmoment duurde denk ik twee drie minuten. Ik ging op mijn gevoel af.
Ik zette de Strava-app stil waarmee ik mijn fietsritten vastleg, en fietste een stukje terug. Daar zag ik op een meter of honderd het van het wandelen ietsje deinende blonde hoofd van het meisje net boven een heideheuvel uitsteken, al een eindje voorbij het bankje. Ik dacht: mooi, niks aan de hand! Maar meteen daarna dacht ik ook: ze ziet me! Moest ik een duim opsteken? Zo van: alles oké? Dacht ze nu dat ik haar op stond te wachten en zelf enge plannen koesterde? Of zag ze me helemaal niet? Snel draaide ik om en reed weg. Bij het punt waar ik was gekeerd zette ik mijn Strava-app weer aan, zodat hij daar de tijd en de rit weer zou oppikken. Vanaf daar raceten de gedachten door in mijn hoofd. Al die TV-beelden, Keulen, twittertrollen. Ben ik nu een PVV-gekkie geworden? Een xenofoob, of een racist? Wat is dit allemaal?
Geen idee wat de 'jury of my peers' hiervan zou vinden. Wel merkte ik dat een en ander mij extra vaart had gegeven, in de benen.

Bij de spoorwegovergang zat een man op een groene stalen elektriciteitskast, achter de spoorwegovergang. Die zat er op de heenweg ook al, herinnerde ik me. Er schoot me een term te binnen. 'Trainspotting?', vroeg ik hem olijk, terwijl mijn bandjes over de spoorstaven rommelden.
'Neu', hoorde ik, in de meest moedeloze toon die ik in jaren heb gehoord. Gealarmeerd kneep ik in de remmen. Man bij spoor. Moedeloos.
Ik blijf bij de man staan. Er kwam gelukkig een gesprek op gang, maar dat kan ik hier niet gaan weergeven. Ik bedoel: dat is nogal prive, zijn omstandigheden. Kort en goed: laten we hem Bob noemen, allemaal ellende, sinds zijn tweede jaar wees, net vier dagen in de gevangenis gezeten, niemand om voor te leven.
En dat hij inderdaad iets overwoog, maar dat iets hem nog tegenhield. Op mijn vraag wat het was dat hem tegenhield, zodat ik een strohalm voor het vervolg had, zei hij dat hij dat ook niet wist. Ik voelde mij totaal onbeholpen. Inadequaat.
Na een paar minuten kwamen er twee fietsers van het type makelaar en notaris aanfietsen uit de richting Utrecht over het bospad. Ik maakte een soort gebaar dat je normaal op een snelweg maakt om vaart te laten minderen, maar dan aangepast aan het bospad en aan de man naast mij, en zei dat deze meneer het zwaar had, en of ze even mee wilden denken.
Met een vraagteken boven hun hoofd hielden zij halt. Maar al snel participeerden ze in de conversatie. Vergeefs maakte ik een paar keer het belgebaar. Ik zei dus maar dat ik even iets verder moest en zo terug zou zijn.
Op een zijpad belde ik de politie en legde de situatie uit. Het was nog even moeilijk de plek precies te omschrijven, maar ook dat lukte. Daarna fietste ik terug. Voelde me een verrader. Maar ja.
De man op het elektriciteitskastje had wel door wie ik had gebeld, want hij zei en passant in het verhaal dat hij niet met de politie mee zou gaan: hij deed niets verkeerd, zat daar gewoon en 'had ze bovendien dat weekend al genoeg gezien'.

Er kwam een trein voorbij. 'Goh, wat rijdt die trein langzaam', stelde de man niet zonder een zweem van ironie vast. Verbaasd keken we naar de inderdaad stapvoets rijdende trein. Dat was snel doorgegeven.
'Als ik u zo hoor, klinkt u als een heel redelijk man', probeerde de notaris. 'Ja, ik ben ook heel redelijk', zei Bob. Zo vervolgde de conversatie zijn moeizame weg, tot ik een politiewagen rustig over het onverharde gedeelte van het bospad zag aankomen. Er stapten twee jonge vrouwelijke politie-agenten uit die snel de situatie inschatten en zich voorstelden aan Bob. Vanaf de andere kant kwam nog een vriendelijk kijkende agent op de fiets aanrijden. Die nam rustig de namen van de twee heren op, voor eventuele getuigenissen denk ik. Mij werd niets gevraagd. De zon was gedaald en hing nu vlak boven de spoor richting Hilversum. Hij omkranste het lichaam van de nog altijd met de ellebogen op de knieën en de handen naar voren voorover zittende man.

Ik besloot ik dat het tijd was om weer op te stappen. Ik stak mijn hand uit. Hij nam hem aan. ‘Sorry Bob, dat ik de politie heb gebeld, maar ik zou het niet kunnen verdragen als er iets ergs was gebeurd.’
De agentes keken me aan op een manier die aangaf dat ze het geen goed idee vonden dat ik dit onderwerp weer aansneed. Hij keek mij met een berustende blik aan, en mompelde dat het oké was.

Toen thuis mijn wielren-app was uitgerekend, bleek dat ik ruim harder had gereden dan alle eerdere ritten over deze route. Ik rekte mij uit, krabte mij achter de oren, en wist het even niet meer. Zegt u het maar.

31-07-2016

____

 


Wat vliegt daar?


Hoe ouder je wordt, des te sneller gaat de tijd. Een veelgehoorde verzuchting. Hoe kan dat eigenlijk, vraag ik me wel eens af. Stompen onze hersens af, is tijd relatief, of is er iets anders aan de hand? Ik laat mij graag aanvullen, maar waar ik totnutoe opgekomen ben is het volgende.

Als je als kind naar iets leuks of spannends toeliep, was de heenweg veel langer dan de terugweg. Dus dat de tijd relatief is was je al vroeg bekend. De dagen waren in je kindertijd sowieso veel langer.
Als in een later gedeelte van het jonge bestaan de routine eenmaal zijn versuffende intrede doet kan de grijze massa af en toe compleet in de slaapstand. Alleen een echte verandering ten opzichte van een vorige beleving van ongeveer hetzelfde behoeft opslag in het geheugen. En als het niet regelmatig daaruit wordt opgevraagd, wordt het verwezen naar de stoffiger, donkerder krochten van ons brein, wachtend op misschien wel nooit meer wakker gekust te worden.
Nu merk je wel, dat als je op vakantie bent op een plek waar je nog niet eerder bent geweest, dat een dag ineens weer ouderwets lang duren kan. De hersens willen weer alles opslaan: alles is belangrijk en de moeite waard om onthouden te worden. Je wordt er doodmoe van. 's Avonds klim je dan al om 21.00u. uitgeput met de kippen op stok, en even later lig je alles te verwerken, ronkend als een os.

Ook kwam ik eens tot de volgende theorie:

De eerste dag dat je leeft bestaat je hele leven uit slechts één dag. Met al het bovenstaande erin.

Ervan uitgaande dat je als u dit leest boven de achttien bent, is een dag in ieder geval hooguit anderhalf promille van een procent van je leven.
Dus over je leven gemeten was de lengte van een zomer eerst negentig maal uw leven, na een jaar een kwart. En nu ergens tussen de nul komma twee-en-eenhalf en vijf procent.

Het is hetzelfde brein dat dat allemaal moet computen: je rijpende brein. Relatief tot je leven is de lengte van een tijdsdeel geminimaliseerd, en dus: evenzoveel harder vliegt de tijd.

Chauffeur! Volg die baby!



14-02-2016

 

Mijn moeder...

...vraagt, als we van haar gesloten afdeling naar buiten gaan:
zeg, wat toets jij daar eigenlijk in, bij de deur?
"Dat is het jaartal", antwoord ik, naar waarheid.
Ik kan dat veilig zeggen.
Maar we doen vaker jaartalspelletjes, dus er ontstaat een vrolijk lichtje in haar ogen.
"Ik ben van negentientweeëntwintig. En we zijn nu zeker..., dertig jaar verder?"
"In dat geval word ik over vijf jaar geboren, mam. In Rotterdam".
"Oh, daar kijk ik dan naar uit", lacht zij.

 

Liberté

Vrijheid, gelijkheid, broederschap door Kees Wennekendonk tgv #Jesuischarlie

Tekening gemaakt tgv demonstratie #Jesuischarlie 7 januari 2015 op het Domplein.

 

Vies drama met happy end.

 

Op onze wandeling door Kockengen, waar haar bejaardenhuis staat, schuifelen mijn dementerende moeder en ik op weg naar de lunchroom steevast langs een lief hoekhuisje.
Daar zit een gepensioneerd echtpaar vaak te zonnen achter een heg. We maken dan meestal een praatje.
Dit keer zitten ze voor het eerst deze lente weer buiten, en nodigen mijn moeder en mij uit voor een kopje koffie.
Een twinkeling in mijn moeders oog: leuk, dat doen wij graag!
Het tuinhekje gaat open en mijn moeder stuurt haar rollator de kleine voortuin in.
Ik bespeur als ik haar volg opeens een penetrante geur die geassocieerd kan worden met incontinentie. Die van de grotere boodschap. Maar de goede mensen doen of zij er niets van merken en offreren ons hun tuinstoelen. Zelf gaan ze op een bankje naast ons zitten, nu samen achter hun heg.
We krijgen thee en koffie en praten over koetjes en kalfjes. De zon is heerlijk. Maar ik blijf mij verbazen over de beleefdheid waarmee onze hosts de geur negeren. Ik kan het zelf nauwelijks harden.
Na een tijdje bieden ze ons zelfs nog een drankje aan. Mijn moeder slaat niet af.
O jee! denk ik, nog een half uur in deze lucht. Ik schaam me enorm.
Als eindelijk ook dat half uurtje is gepasseerd stappen we op. Tot slot maakt mijn moeder een compliment over de inderdaad kaarsrechte bovenkant van de heg.
'Ach', zegt de gastvrouw, 'dat heeft mijn man vorig jaar gedaan hoor, zoveel moeite is dat niet'.
'Nou', zegt mijn moeder, 'mooi hoor, en ik zie toch al groen door het bruin heen'.
'Ja, hij heeft gisteren de grond rond de wortels helemaal met verse koeienmest doorgespit, dus het kan nu echt heel snel gaan, met dit zonnetje erbij!' zegt de buurvrouw vrolijk, en neemt afscheid van een stralende moeder en verbijsterde zoon.


De kerk en de heg.

 

 

Wij

Terwijl ik in een weiland stond te bellen met mijn broer over het vervoer van een stoel naar mijn moeder, kwam in de verte, over het gras, een boerenquad aangereden. Hij stopte vlakbij me. Er zat een gebrilde boer op. Ik kapte het gesprek met mijn broer snel af om niet onbeleefd te lijken.
De boer keek mij bozig aan. Ik vertelde hem op beleefde toon dat ik het weiland in was gelopen om een foto van de mooie vaart met leliebladeren te maken toen ik gebeld werd, en of dat goed was, een foto maken?
Hij protesteerde dat de mensen tegenwoordig overal maar gingen lopen. Dat hij niet van die armoe gediend was. "En ons wordt al van alles verweten", voegde hij eraan toe. Ik antwoordde: 'Dat doet mij sterk denken aan wat wij in Zwitserland al eens een keer met jullie hebben meegemaakt. Maar jullie zullen geen last meer van ons hebben'.
Hierop keek hij me, langer dan hij waarschijnlijk wenste, met een uiterst glazige blik aan. Toen draaide hij ineens de gashendel open, keerde zijn quad, en verdween zoals hij gekomen was, over het gras, naar de grazige verten

augustus 2014


Interview in Oud Utrechter

"Op mijn twintigste koos ik voor muziek. Door muziek krijg je een bijzonder contact met je publiek. Tekenen is altijd een eenzame bezigheid. Tot mijn 33e heb ik uitsluitend muziek gemaakt, gecomponeerd en opgetreden als liedjeszanger."

"Ik voer een lang gesprek met de te portretteren persoon en maak een aantal foto's. Door dat gesprek ontstaat bij mij een innerlijk beeld van een persoon. Dat is van belang om de ziel in in het portret te kunnen leggen."

Van de hand van oud-architect Jan Jansen verscheen 23 december 2013 een leuk interview met mij in de Oud-Utrechter.
U kunt het hier lezen.

 

                        Kees Wennekendonk

 

 

 


 

Interview met Radio1 - De Gids.FM
17 juni 2013

Robertjan Booij van DeGids.FM voor Radio 1 met een interview over mijn in september 100-jarige Bechstein concertvleugel, ter gelegenheid van het 160-jarig bestaan van Bechstein. Dit kunt u beluisteren via deze link: Interview Radio3.FM over deze Bechstein met Kees Wennekendonk.


 

Henk Westbroek op bezoek, voor onderwerp 'brillen' van RTV Utrecht: past bij ieder gezicht een bril?



Time-lapse-filmpje van het tekenen van portret Bertolf Lenting voor zijn derde LP: BERTOLF. In werkelijkheid duurde het twee weken. Bertolf zingt: Here I am.



Buffelhoornen brillen Kees Wennekendonk in Living in Style

Buffelhoornen brillen
als maatwerk:


'Hoe expressief moet de bril zijn?'

Artikel van Marco Barneveld in Living in Style


Buffelhoornen bril Frank Welkenhuyzen bij Tussen Kunst en Kitsch

Frank Welkenhuijzen met bril van Wennekendonk

Filmpje op youtube

 

Buffelhoornen bril Frank Welkenhuyzen

Portret in zijn galerie


 

Hieronder nog een paar monturen met hun dragers:

buffelhoornen bril   buffelhoorn bril

Te zien en meer info over buffelhoornen brillen op www.keeswennekendonk.nl/occhiali


 

Onlangs zei iemand...

veer  

...dat ik vastzat in een mannenlichaam. Dat gaf te denken. Jawel, en met genoegen, dacht ik toen. Behalve die ene keer, dat ik een meisje tegenkwam dat vastzat in zo'n mooi vrouwenlichaam dat ik dacht dat ik daar ook wel eens in wilde vastzitten. Gewoon, een paar uurtjes, misschien een dag. En dat mocht toen, van mijn dromen.

mei 2013



Interview in Straatnieuws


Straatnieuw interview kees Wennekendonk  

 

Klik op de cover en u krijgt de PDF. Leuk interview. Maakte mij wereldberoemd bij de ingang van de HEMA.

De besproken vleestrompet kunt u beluisteren op onderstaand liedje:

Kamperfoelieroos, live in Tivoli

 


Werkwijze bij ontwerp en vervaardiging buffelhoornen brilmonturen, interview in 'Focus Elite Plus'


interview met Focus elite Plus Buffelhoornen brilmonturen

Klik op de afbeelding om het artikel te lezen.


futuruscopie

Bij de opening van een tentoonstelling van brillen van mij met gedichten van Ingmar Heytze (Glas & Inkt) schreef ik ooit onderstaande gedicht. Over een gedroomde bril waarmee men in de toekomst kijken kon.

Futuroscopie


Zo gemakkelijk het is
in de intiemste delen van ons
ontstaan te koekeloeren,
zo moeilijk is het blijkbaar
voor de heren geleerden
iets in de nabije toekomst te zien.

Wordt er wel gezocht, vraag je je onwillekeurig af.

Ja, gegraven mag er worden!
Hangt in 1 deel duistere materie
en 2 delen donkere energie
een web dat zachtjes nawiegt van de knal
met schommelend aan dunne draden
kleine sterrenstelsels, dauw in ochtendwind,

voelt een radiotelescoop als een spin
de eerste toon nog trillen
klinkt harmonisch nog altijd zacht de ruis
worden uiterst kleine drukverschillen 
in zijn oren gedonder zo welluidend als
orgeltonen waar je maag van golft,

van de nabije toekomst vernemen we geen fluit.

Tja.

Maar:

Kent u het verhaal
van de mens die
-bijvoorbeeld door een bril van prisma's -
al te lang alles ondersteboven heeft gezien
dat deze mens na verloop van tijd
alles weer terugdraait
-this side up- weet hij ergens in zijn hoofd-
-kent u dat verhaal?-
En dat als die mens die bril dan afzet
dat die mens daarna weer even alles
op z'n kop ziet wat i voor zich heeft
En z'n hersens trekken ook dat alles
dan allemaal weer even recht...

Kent u dat verhaal?

Bedenk dan eens wat zou gebeuren
wanneer een mens een bril gaat dragen
niet met prisma's maar met schermpjes - video
met daarop twee camera 's - stereo
zodat i live ziet
wat er voor 'm plaatsvindt
net als met z'n eigen zicht?  
En zíjn hersens trekken ook dat alles
dan allemaal weer even recht.                                     

als wij dan vervolgens met minime stapjes
dat beeld aan 1 kant gaan verlaten, gaan vertragen,
niet met tellen maar met nano 's -
en niet om elk uur maar zo om de dag -
zodat die man links dan semi-live ziet
wat er voor 'm plaatsvond?
Stel je voor...week na week, maand na maand,
jaar na jaar....

Bedenk dan ook eens wat er zou gebeuren,
als deze mens die bril na dertig jaren
afzet en met links kijkt in het heden –
maar vervolgens zijn focus legt op rechts,
ha, wat ziet hij dan? Nou?

Maar hij heeft het geweten, even.

 

 

Pfieeeet wieew!

Pleidooi voor de herintroductie van de bewonderende nafluit.

De weg schoot geluidloos onder mij door. Mijn ellebogen leunden op het ligstuur van mijn azurro-blauwe Bianchi racefiets. Ik reed over een kaarsrechte weg door een boomloze polder. Plaats: een paar kilometer van Noordeloos. Reisdoel: het riviertje de Giessen. Snelheid: tussen de dertig en drieëndertig kilometer per uur. Het was augustus, het liep tegen de avond, de warmte liet zich nog goed voelen.
Mijn ogen waren, gehypnotiseerd door mijn malende benen, gedachteloos op een willekeurig punt voor me op de weg gericht. De enige beweging buiten mijzelf was, als ik heel goed rondspeurde, die van een stipje, bijna onzichtbaar veel verder op de rechterweghelft.

Onwillekeurig concentreerde mijn blik zich op het levende vlekje aan de einder. Was het een fietser? Iets vertelde me van niet. Iets teveel van links naar rechts. Ik merkte dat het betreffend departement in mijn hersens tegelijkertijd probeerde te ontdekken of het een vrouw of man zou zijn. Kun je dat zien? Ik denk het wel. Een vrouwelijk stipje heeft een andere motoriek dan een mannelijk stipje. Ik concentreerde mij op de beweging. Aan een soort zwierigheid meende ik te kunnen vaststellen dat het een vrouw was. En ik ging blijkbaar sneller, want het werd gestaag een tikkeltje minder klein: langzaamaan werd het aantal kleine kleine vlekjes een samenhangend spel van nieuwe vlekjes die ledematen vertegenwoordigden.

Weer wat nadergekomen twijfelde ik toch even: de breedte van de schouderpartij leek toch weer te wijzen op de mogelijkheid van een man. Wel was nu ook zichtbaar wat het aan het doen was: het rolschaatste. Sommige mensen zullen roepen: skatete, maar ik vind skaten ook rolschaatsen, zoals mountainbiken ook fietsen is. De beweging van de benen wees op vrouwelijke spieren. Nog dichterbij gekomen zag ik een weerschijn op een gebruinde athletische rug, gestoken in een combinatie van een zwart tanktopje en daaronder een katoenen broekje. Haar kuiten en armen glommen in de namiddagzon. De schouderpartij was ontwikkeld als van een beroepszwemster.

Ik haalde haar in. O ja shit, ik ging haar inhalen. Wat ging ik doen? Ging ik haar een teken geven, iets zeggen? Ik moest haar blijkbaar iets laten merken. Waarom? Hoe? Wat? Iets neutraals? Iets wat je een mannelijke fietser ook zou toevoegen? Of was de motivatie van andere aard? Ja natuurlijk. Bij een mannelijke fietser zou ik misschien groeten zoals zeilers elkaar groeten op een fries meer: met een trefzeker afgesproken gebaar, nauwelijks de aandacht van de zeilen afhoudend.

Maar zo niet nu. Ik had iets anders te communiceren. Over de schoonheid van haar beweging, haar athletische gestalte. Ik moest eerlijk zijn. Er zat ook een element in van hoe een man een vrouw laat merken dat hij haar bijzonder vond. Aantrekkelijk. Maar niet alleen dat. Het was ook iets anders. Iets universeels. Hoe leuk haar aanwezigheid contrasteerde met het zwarte lege astfalt, de knalgroene polder. Niet noodzakelijkerwijs in die volgorde.

  Wat ging hij doen? Terwijl ik haar in slow-motion passeerde maakte zich een duim los uit de hand, wat ging daar gebeuren, hij bewoog zich omhoog, wat bedoelde hij, wat is dit, nee he, dat kan toch niet, nee…. IK STAK HEM OP! Uit mijn ooghoek zag ik nog een flits van een ietwat slavisch gevormd knap, stoer gelaat. Snel keek ik weer voor me.Toen gebeurde het ongelofelijke voor mijn bedwelmde geest. Ik hoorde haar ‘hoi’ zeggen. Ik draaide het bandje waar de ‘hoi’ opstond snel een paar keer in mijn hoofd af. Ze zei ‘hoi’ op een toon die leek te betekenen dat ik ‘ook best wel iets had mogen zeggen hoor’. Ik vervloekte mijn onhandigheid, mijn verlegenheid, durfde niet achterom te kijken, en speerde door. Misschien maakte ik zelfs extra tempo. Ik reed door zonder geluid te maken, de wind floot zonder een obstakel tegen te komen in mijn hersens.

Ondertussen had ik de afslag Giessen ergens gemist, of was niet meer aangegeven. Shit, de weg kwijt, of althans de juiste. De ANWB was al enige tijd overgegaan op een gevreesd nieuw systeem van richtingaanwijzen: er is geen sprake meer van dorpen en heiden, alleen van knooppunten met nummers. Die moet je of uit je hoofd leren, of vantevoren op je hand schrijven. Heb je dat niet gedaan, dan kun je om de 5 kilometer afstappen om te kijken waar jouw nummer 83 zich bevindt, en welke nummers je moet zien te onthouden om op je reisbestemming te komen. Ik herkende de weg hier niet. Wel zag ik een aankondiging: ‘u nadert knooppunt 67′, dus ik stapte af bij het kruispunt om op het grote knooppuntenbord te gaan kijken.

Ik wilde de kortste route naar de rivier. Op de kaart zag ik dat dat een eindje terug was, als ik het bij de kop wilde vatten. Een andere mogelijkheid was langs een autoweg naar Noordeloos, waarmee ik op eenderde van de mooie waterroute in zou stappen. Ik aarzelde.

  Nu ja, dan maar even rap langs die snelweg.
In de korte tijd die ik nodig had om weer op de fiets te springen en de gekozen weg in te slaan zag ik uit een ooghoek een fietster aan komen. Een blond staartje sprong onder de racehelm vandaan. Plotseling beviel de door mij gekozen route niet meer. Ik remde en keek terug naar het kruispunt. Ik volgde haar met mijn ogen. Ze stopte bij het bord. Zonder na te denken had ik mijn fiets alweer honderdtachtig graden gedraaid, met de zelfsmoes dat ik nog een keer goed moest kijken.ven later naast een knap meisje. Ze krabte wat op haar rug, die ze voor dat doel holgetrokken had, terwijl ze wijs probeerde te worden uit de lijnen, nummers en punten op het bord. De zwarte wielrenbroek die ze droeg was de helft korter dan gebruikelijk. Misschien een triathlonbroek.

Nu ging ik wel wat zeggen.

‘Onhandig he, die knooppuntborden? Moet je altijd afstappen. Waar ga je naartoe?’, bracht ik eruit. Ze nam me met een lach, maar niet geringschattend op. ‘Ja, ik moet deze kant op’, en ze wees naar een weggetje langs een sloot, schuin naar het noordwesten. ‘Waar ga je heen?’, vroeg ik, een beetje verrast door haar blik. ‘O, Rotterdam, dus ik moet geloof ik die weg in, zo naar de dijk langs de Lek’. En ze wees naar een aantrekkelijk weggetje.
Een opportunistische winding diep in mijn grijze massa had willen zeggen: zal ik een stukje met je meerijden? Maar dacht er meteen overheen: ja, ze ziet me aankomen. Maar als je het niet vraagt heeft ze ook niet de gelegenheid om ja te zeggen natuurlijk. Mij maakte het niet uit, in die zin dat ik nu ook weer niet per se naar Giessen moest. Een stuk die kant op, en dan afbuigen naar Sliedrecht zou ook prima gaan. Maar ja, je opdringen is ook weer zo wat. Dat wil je zeker niet. ‘O mooi, langs de rivier, kun je helemaal doorrijden naar de Kinderdijk, oversteken, en dan zit je al bijna in Rotterdam’ bracht het quasi rationele gedeelte van mijn brein oplossing. ‘Ja’. “Goeie reis’! ‘Jij ook!’. De fietster sloeg haar pad in, ik het mijne.

Mijn benen maalden alweer in het gewone tempo rond toen ik, nog naborrelend, dacht: hee, ik had eigenlijk best kunnen vragen of ze een twitteradres had, dan hadden we kunnen uitwisselen en checken of we allebei waren aangekomen waar we wilden. En wanneer. Had dat gekund? In theorie wel. Maar doe je dat? En hoe? Waar? Hoe? Ach wat een onzin allemaal. Of niet? Lastig, met een gebaar als een opgestoken duim lukte het me dus eigenlijk helemaal niet om uit te drukken wat ik daarvoor allemaal voor beelden in mijn brein had, en met op mijn manieren een fietsknooppunt tot contactpunt maken bereikte ik nu ook weer niet dat ik haar liet merken hoezeer zij mijn innerlijke landschap opvrolijkte.
Ach ach, ach en wee. Woorden schoten tekort. En dat lag niet aan die woorden op zich. Was er iets met mij aan de hand, of was dit iets wat meer mensen parten speelde?

Ondertussen was het landschap veranderd van een groene polder naar de weg over de dijk die de Giessen aan de rechterkant indamde. De zon flikkerde door het groene bladerdek dat de aaneengesloten bomen langs de rivier vormden. Bootjes met gebruinde kinderen dreven langzaam stroomop- en stroomafwaarts. Een plotselinge onderbreking door een helgroen grasveldje aan het water. Een dorpje met brug en café.
Twitteren. Ja, dát had het meisje met het paardestaartje leuk gevonden. Wáááh. Ik dacht het niet. Had ik misschien moeten fluiten? Pfie wiew? Even denken. Twitteren betekent kwetteren. Kwetteren is een soort van fluiten, maar dan minder mooi. Kwetteren is een beetje kletsen van mussen, mezen en merels. Fluitena is zingen. Fluiten is gesublimeerd twitteren. Had ik kunnen fluiten? Ik twijfelde. Zoiets moet je ook durven. Je kon het wel oefenen natuurlijk, in dorpen ver van huis. Maar: wat vinden de meisjes ervan? Gold het verbod uit de jaren zeventig niet nog steeds? “Het is verboden in bouwvakkersidioom de aandacht te vestigen op andermans uiterlijke aantrekkelijkheid. U geeft hiermee aan geen oog te hebben voor de intrinsieke waarde van de persoon. U beledigt hiermee de aangeflotene”.

Djiez wat was het hier mooi. Ik kon het wel uitroepen, als een spontane opwelling uit de borst. Mijn gedachten vlogen terug naar een moment zo ongeveer tien jaar geleden. Ik was in februari ter hoogte van Nieuwersluis op het ijs van de Vecht gestapt. De kleuren waren, zoals dat ‘s winters is, keihard en contrastrijk. Het zwart van het ijs en de bomen, het sneeuwwit aan de rietkraag, van de kozijnen van de huizen, een zwaan op het ijs, het hardblauw van de winterlucht – het had mij vervuld met een gevoel waardoor ik het wel uit moest schreeuwen. En dat deed ik ook. Diep uit mijn borstkas golfde een keihard en langgerekt “Joe! Hoooeeeeee!” die de omringende schaatsers hun rug deed rechten en mij verbaasd deed aankijken. Ergens hoorde ik het onmiskenbare geluid van raspendee ijzers en harde vloek van een vallende weekendatleet.


Iets dergelijks, misschien iets minder schrikbarend, zou ik ook bij een persoon van het andere geslacht kunnen laten merken. Zonder haar te laten vallen. Daarom pleit ik voor een brede herintroductie van de bewonderende fluit. Zou het niet een hele hoop schelen? Bij gebrek aan beter. Is er beter? Je laat geen schaatsers vallen.

Mag er weer een nafluit op straat weerklinken? Zijn er bezwaren? Dames? Heren? Vrienden? Vriendinnen? Mag het? Ja?

Ik breek een lans.

 

Arthur Adam Trio

gezien 26 januari 2013, in 'Meet me Cassius', Spiegelzaal Tivoli

 

ArthurAdam

Een optreden van het Arthur Adam- trio is een sterke, bijna hypnotiserende belevenis. De hoeveelheid samengebalde energie is zo groot, dat het onmiddelijk overslaat op het publiek, vanavond hier in Tivoli Spiegelzaal. Niet dat er een losgeslagen types op het podium staan, integendeel. Arthur zingt beheerst, vanuit de fluwelen diepten van zijn stem tot in de hoge, ijle regionen. Gitaar: Gibson 1963, electrische piano.

Vanachter zijn blinkende rij tanden zoekt hij de kwetsbare gebieden op, die ieder mens kent, , maar alleen door muziek beschreven kunnen worden. Adam is hier naar mijn mening in compositie en uitvoering een meester in. Deze kwaliteiten zijn in deze mate een zeldzaamheid.
Dit alles in innige samenwerking met bassist-zanger Tim van Doorn (Clueless) en de geweldig invallende drummer Nikki Hustinx (Eefje de Visser). Dit levert naast de muziek ook prachtige beelden op, de niet al te grote Tim op een heel grote vlammende Gibson bas, die hij Ginger noemt, met zijn prachtige stem, en de beatverleggende droge drumpartijen van Hustinx.

ArthurAdam

Ga dit zien als je de kans hebt, koop de plaat,. Dit gaat nog verder groeien.

CD's:

In a Cabin With..
Awake
Pulse (2012)

Voor meer informatie, luisteren en kijken, check: www.arthuradam.nl

 


 

 

Muziek bij filmpje opening website Gerard Borkus

 

In opdracht van oud-theatercollega Gerard Borkus, tegenwoordig trainer-coach-acteur in Amsterdam, schreef ik de muziek bij de mooi verzorgde openingsclip op zijn website. Hieronder kunt u het resultaat bekijken:

 

 

 

Het Geheime Experiment

 

Voor "het Geheime Experiment", een facebookproject van dichters Peter Knipmeijer, Ingmar heytze en muzikant Cor van Ingen schreef ik in het uur tussen zomer en wintertijd het volgende prozegedichtje:

 

In de verzonnen leegte gaat de maan.
Gaan vissen en planeten,
sterren, cicades, de vulkanen
de nachtvogels lekker gewoon hun eigen gang.
Oceanen, glijdende moerasnevels - zij bewegen,
bonobo's neuken onvermurwbaar door, tornado's woeden
lemmingen storten zich en masse in het ravijn -
de afspraak een stap terug te doen kan hen gestolen worden!
Alleen de mens zal met zijn malle kuren
als volstrekt unicum in de natuur
in zijn vacuüm naar de keuken lopen - nootjes halen,
en tot slot, o hoogtepunt, tegen een wijzer duwen
in de waan te hebben ingegrepen in de tijd.

 

Kees Wennekendonk, 28 oktober 2012, 02.50u

PS Dat van die lemmingen is niet waar, inderdaad.

****


 

De Utrechtse dichter Ruben van Gogh schreef ter gelegenheid van de overdracht
van 65 Utrechtse portretten aan het Utrechts archief, 12 mei 2012, onderstaand gedicht:

ZWART OP WIT

Het verleden raakt vertekend,
maar het heden is haast sprekend
opgezet in fijne grijze lijnen
in portret na portret, die uitermate
nauwgezet grootsheid willen geven
aan deze kleine Wall of Fame.

Zal de tijd hen doen verbleken,
of zullen zij juist, vergeleken met wat
er hier nog meer ligt opgeslagen,
in verre onbestemde dagen
steeds opnieuw tot leven komen
wanneer iemand hen op komt vragen.

De stekelige doornen van de tijd
zetten hen hier in het feit gevangen,
dat hoelang zij nu ook maar
verlangen van een prins of gemalin
te dromen, die hen wakker kussen
zal, dat die hen in geen geval
kleur zal brengen op de wangen.

Zodat het toch het heden lijkt te zijn
dat raakt vertekend, omdat uitgerekend
deze Utrechtse geportretteerden
de jongste geschiedenis bezweerden,
die juist kleur hebben gebracht.
Hetgeen hier zwart op wit is vastgelegd
voor het toekomstig nageslacht.

Ruben van Gogh

 

Zie ook z'n website:
http://rubenvangogh.nl
en
http://www.utrechtsdichtersgilde.nl

 


 

Ingmar Heytze schreef een inleiding bij die overdracht:
'Een foto van je ziel'

Ingmar heytze portret Kees Wennekendonk

De schrijver in 2006


"Het conserveren van dingen is een hachelijke zaak. Ik herinner me een rondleiding door een voormalig directeur van het Utrechts Universiteitsmuseum, zo’n twaalf jaar terug. Het museum bleek op drie, vier plekken in de binnenstad nog ergens een depot te hebben. Met depot bedoel ik: een soort loods, een aantal kelders onder een collegezaal en een grachtenpand dat een beetje makelaar onmiddellijk had laten ontruimen door het grofvuil, waarna het kon worden omgebouwd tot vier loftwoningen.

In de loods bevonden zich een paar honderd reptielen, amfibieën, monsterlijk vergroeide menselijke foetussen en andere anomaliën op sterk water. De collectie van het grachtenpand bestond voor een behoorlijk deel uit een volledige olifant die in diverse delen door het pand was verspreid. In de kelders bevonden zich enkele tientallen tandartsstoelen en een ontzagwekkende gietijzeren installatie voor röntgenfoto’s, waarvan een grote dreiging uitging. ‘Waarom hebben jullie dit allemaal in de kelder staan?’ vroeg ik De directeur keek me somber aan en zei: ‘Omdat de een of andere hoogleraar daar een tijdje hobby aan heeft gehad.’

Dat is het probleem met het institutioneel verzamelen van dingen. Waar een verzameling van een particulier vanzelf weer uit elkaar valt in andere verzamelingen in een soort doorlopende osmose – een proces met geheel eigen wetmatigheden dat op zichzelf aanleiding zou kunnen zijn voor allerlei overpeinzingen – komt een voorwerp in het depot van een archief of museum op onnatuurlijke wijze tot stilstand in de tijd. Het toevoegen van een object aan een collectie als het Utrechts Archief is de territoriale daad van een sterveling. Je opvolger blijft met de zooi zitten. Het is bovendien een uitspraak over de toekomst. Eveneens een hachelijke zaak. Geen mens kan over zijn graf heenkijken. Mijn ouders, die zelf inmiddels tot de vaste collectie van de stad behoren, hebben prachtig Jugendstilmeubilair aan de straat zien staan. Recenter waren er tijden dat je oorspronkelijk Gispen gratis af mocht komen halen.

Van de portretten van Kees Wennekendonk kan zonder veel moeite worden vastgesteld dat ze hier uitstekend thuishoren. Dat komt zowel door kwaliteit van elk werk afzonderlijk als door de waarde van de collectie als geheel. Het vakmanschap waarmee elk van de portretten werd getekend, is zelfs voor de volslagen leek van een tamelijk eeuwige klasse. Daar komt bij dat de personen die erop staan een mooie dwarsdoorsnede vormen van wie de afgelopen jaren, al dan niet terecht, voor Bekende of Belangrijke Utrechter doorging; je kunt van veel van die mensen verwachten dat hun leven en werk ook op andere manieren is gedocumenteerd. Daarom is de verzameling tekeningen als geheel nu al interessant, en zal zij steeds curieuzer worden naarmate de tijd voortschrijdt. Het is een portret van Utrecht als geheel; dat grote, vreemde wezen dat we met zijn allen vormen, getekend door één enkele hand in een Middeleeuwse werfkelder aan de Oudegracht. Bekijk deze portretten en u staat, elke keer opnieuw, oog in oog met een van de vele kleine wonderen van Utrecht.

Misschien nog belangrijker dan dat is een factor die je moeilijk kunt benoemen. Hoe de tekenaar het doet weet ik niet, maar in al deze portretten zit iets opgeslagen van de mensen die model stonden, iets dat blijft, iets dat er zelfs nog zal zijn als niemand weet wie ze waren.

Wie over een paar eeuwen naar deze portretten kijkt, zal ontdekken dat er nog steeds een levend mens in zit dat terugkijkt – zoals je in de schilderijen van Jan van Scorel moeiteloos de Utrechtse koppen van nu kunt terugzien. Het zou me niet verbazen als de portretten van Wennekendonk tot in de eeuwigheid met elkaar blijven praten tijdens de lange, geklimatiseerde nachten tussen zuurvrij papier, als de laatste archiefmedewerker het licht heeft uitgedaan. Stel je de gesprekken voor en je hebt een boek dat zichzelf schrijft.

Een citaat uit de Wikipedia, over Wilhelm Conrad Röntgen, en dus ook een beetje over dat gekke depot vol obsolete tandheelkundige apparatuur uit de dromen van een hoogleraar met emeritaat: ‘Nadat hij voor het eerst zijn eigen skelet zag, zette hij zijn proeven in het geheim voort om te voorkomen dat hij zijn reputatie zou verliezen indien zou blijken dat hij zich vergist had. Twee weken na de ontdekking nam hij de eerste foto van de hand van zijn vrouw. Toen zij haar handbotjes zag, riep zij: “Ik heb mijn overlijden gezien!”’

Iedereen die door Kees Wennekendonk is getekend, kan op zijn beurt zeggen: ‘Hij heeft een foto van mijn ziel gemaakt.’

13/05/2012 | Ingmar Heyte

 


 

De machine
een nieuwjaarsdroom

Wij stonden op de brug van een enorm vaartuig. Je lachte en had krullen in je haar. Je leek vaak op Nicole Kidman. Verder weet ik niet wie je was.
Ik keek omhoog. Vier stalen schoorsteenpijpen reikten een meter of acht de hemel in en braakten heerlijke rook en vonken uit. De pijpen waren samengebonden met gevlochten stalen kabels, en staken met hun heldere rode biezen vrolijk af tegen de blauwe lucht.

Ondanks de afmetingen van het voertuig, dat al gauw een meter of tien lang moet zijn geweest, reden wij vrij, over ongebaande paden.
Wij reden er zelfs moeiteloos mee door een bos. Een geweldig gevoel van vrijheid en macht had bezit van me genomen.
Ook toen wij in de bergen aankwamen, en ik jou kon wijzen op hoe de dalende zon nog op de achterste bergkammen scheen, terwijl de dichterbij gelegen al in de schaduw lagen, hetgeen een denk ik niet eens beleefde herinnering aan een kindertijd losmaakte, keek je ook even. Zo reisden wij, puur op kracht, moeiteloos voort op onze machine.

Aan de andere kant van de bergkam kregen wij een uitzicht over een vlakte die langzaam afliep naar een dal, in de verte. Het was om te huilen, zo zacht en warm als het erbij lag.
Na nog enige tijd reizen kwamen we bij een splitsing waar ik meende linksaf te moeten slaan. Blijkbaar stond ik achter het roer. In de verte doken huizen op. Eenmaal naderbij gekomen kon ik zien dat daar ook auto's bijstonden. Ik hoopte dat het modellen uit een vervlogen tijd zouden zijn. Eén leek nog een Citroën Diane te zijn, maar de auto aan de overkant was een doodgewone, moderne Volkswagen.
Ik voelde een enorme weemoed opkomen. Er was geen weg terug.


Kees Wennekendonk, 4 januari 2012


 

Extreem

Het eiland Rottum is onverwacht in zee is gezonken, er wordt dus voor Delfzijl een tsunamiwaarschuwing afgegeven, in Warffum ligt de sneeuw drie meter hoog tegen de dakrand (het leger is ingezet), en in Borne is de laagste temperatuur in Nederland ooit gemeten: - 43 graden?
Welnee.
Toch zegt het KNMI in de Volkskrant: "Extreem weer in Noordoost Nederland."
Even verder lezen.
"Vanaf de provincie Gelderland en noordelijker moeten weggebruikers rekening houden met gladheid door ijzel of bevriezing van natte weggedeelten."
Aha! In gewone woorden: pas op: hier en daar glad in het Noordoosten van het land.
Daar hadden die meteorologische belhamels me toch mooi te pakken zeg!

Het woord 'extreem' betekent: (op) de uiterste grens, het verste punt. Daarvoorbij is er niets.
Als wij het KNMI een beetje blijven volgen, zullen we er ernstig rekening mee moeten houden dat in een niet al te verre toekomst een regenbui extreem genoemd wordt.

Ze zitten behoorlijk polariserend te werken, daar, die jongens van het KNMI in het laatste behouden huis in de Bilt.

 

11-1-11

 




 

 

Mooiste plekje van Utrecht

Regie en montage: Annebelle Schneemann


 

Opening Expositie Dennis Teunissen.

De Utrechtse schilder Dennis Teunissen exposeert van 7 november tot 11 december 2010 in gallerie Kap-Pur in Tiburg. Ik kreeg de eer toebedeeld deze te mogen openen. Hierbij het openingsgedicht, 'Rubber, staal, beton', te downloaden als PDF. Klik hiervoor op Dennis' rug.

 

dennisteunissen

 


 

Tekening Julia Antimirova bij: De Veerman

Bij mijn gedicht De Veerman maakte Julia Antimirova tijdens een training voor avondstudenten op het Grafisch Lyceum Utrecht al een bijzonder inpirerende kleurpotloodtekening. Nu heeft zij er een schilderijtje van gemaakt. Check it out!

 

kiteman / de veerman

Julia Antimirova

 

De Veerman.

over een veerman, een mobieltje, een brief, de zee en een veertje.

I.

Het begon ermee dat ik mijn mobieltje vergat.

Preciezer: het begon toen ik mijn mobieltje vergat
op de veerboot tussen Rijswijk en Wijk bij Duurstede,
om een uur of zes, ik had al vele, nee tweeënvijftig kilometer gefietst,
een roze licht streek over de rivier tegen de stad
en dat wilde ik fotograferen met mijn mobiel.
Een stem achter mij had gezegd:
- dat is dan vijfennegentig cent -
Ik had mij omgedraaid, mijn portemonnee
uit mijn gordeltas gehaald
en de veerman betaald.
We landden aan de overkant.

Vijfentwintig kilometer later was ik thuis.
Hoe laat? Daar realiseerde ik me wat ik was vergeten.

Met hulp van de politie vond ik
de nulzes van de kapitein en
zowaar: hij had het ding gevonden,
en was tot half twaalf in de vaart.

Ik belde aan en leunde achterover naar de bovenburen.
Wilde de bovenbuurman wellicht... ik was zo moe, mijn bovenbenen...
ach de bovenbuurman wilde wel
en met mijn rooie wijn naast zijn versnellingspook
reden wij naar Dorestad.

Daar wachtten we aan het water op de boot, die nu in een mooier
want nog later licht de rivier in onze richting aan het bevaren was.
Ik zag de mannen bovenin staan, zilver bebaarde goden
in hun goed geolied koninkrijk.

Ik zwaaide en maakte vast het belgebaar.
Uit de hoge witte brug werd teruggezwaaid.
- Twee sms'jes en een gemiste oproep - zei de kapitein
toen ik zijn trappen had beklommen
en gaf daarbij een grote, gulle hand.


II.

Drie dagen later schreef ik een brief aan een geliefde
- of hoe noem je iemand die afstand van je nemen wil -
en postte hem,
maar nu -
nu weet ik niet meer zeker of ik hem wel geadresseerd had
die twijfel -
wel had ik haar naam in zwierig schrift geschreven
en een postzegel erop geplakt, maar een adres?

En ja, dan kun je zo'n brief wel nogmaals sturen
maar of dat de afstand dan -
zeker als ze er dan misschien twee mooi geschreven brieven heeft
waarover ze dan te denken heeft -
of dat de afstand dan verkleint?


III.

Daarop volgde in mijn geestesoog
terwijl ik met een meisje
waarmee het gesprek even niet vlotten wilde
langs de vloedlijn liep
een poging om  'in een keer door' haar na te duiken
de schoenen en mijn T-shirt die ik altijd aan mijn riem hing
had ik keurig afgeknoopt, en ik dook met korte broek in zee
het was gelukt, de poging was geslaagd.
Toen ik briesend bovenkwam en lachte dacht ik: hé
waar is nu mijn portemonnee? En waar heb ik mijn telefoon?

Wel eens een zoute batterij op het dak van een strandpaviljoen
in de zon te drogen gelegd?
Zo’n ding zwelt op als een gestrande potvis
en berg je dan maar.


IV.

Dit alles was waar, en aanleiding tot sombere gedachten
tot ik op een ochtend na Koninginnedag
argeloos met mijn boodschappentas
aan de schaduwzijde van de oude gracht naar huis toe liep.

Ik keek omhoog.

Ik zag een blauwe lucht, een staalblauwe schone lucht,
recentelijk leeg geregend en duidelijk op zijn mooist.

Een witte stip hierin trof mijn blik.
Ik vertraagde mijn pas en tuurde.

Het was een veertje.

Het veertje cirkelde vertikaal langs een
met onzichtbare inkt getekende loodlijn
traag, oneindig traag en kaarsrecht naar beneden
een slomo imitatie van een esdoornblad
losgemaakt van zijn onzichtbare vogel en op ongewone hoogte.

Ik verloor mij in die hoogte.
Ik werd het kind dat in korte broek op een landje aan het vliegeren was
en na urenlang vliegeren één werd met zijn vlieger,
dat zich zo van de wereld waande dat hij dacht naakt -
nee, zonder kleren, in het gras te staan
zodat hij lekker als in de douche of zee
vrijelijk kon staan plassen.

Wel eens thuisgekomen met een beplaste broek,
terwijl je nog op een zeiltje slaapt
zodat je moeder niet elke keer weer alles hoeft te wassen?

Ik plaste niet, ik keek naar de lucht.
Ik stond stil, ik had mijn boodschappentas op straat gezet
en had mijn hand uitgestoken.

En terwijl ik nog geen centimeter bewogen had,
landde daarin vanuit de gevolgde, kaarsrechte vertikale lijn
en na een aantal eeuwenlange seconden
uiteindelijk de hagelwitte veer.


Pas veel later kwam de tijd weer op gang.

 

                                                     Kees Wennekendonk, juni  2009


 

 

Theo, de Tovenaar

compositie over Theo Koomen, de sportverslaggever

 

 

Zie ook het ready made gedicht Sanchez, verderop op deze pagina, een ready made naar het verslag door Mart Smeets van de finale wegrenners olympische spelen 2008.


Live in theater De Walhalla, februari 2010, bij De Muur on Tour

Een paar reacties

_______________________________________________

Kees, ik ben diep onder de indruk. Serieus. Schitterend man!

Volkskrantjournalist, schrijver en wielerliefhebber Bert Wagendorp op twitter

_____________________________________________________

Mooi, chanson-achtig! Zie er een mooie clip bij met beelden van Anquetil en Poupou.

GasolineBrother Leon Geuyen op twitter

_____________________________________________________

Grondverf?Schitterende schets. Ik krijg iets van historische sensatie terugdenkend aan de sportverslaggever Theo Koomen.

Mooi.

Singer Songwriter Jascha 'Cafestival' van Roij op LinkedIn.

______________________________________________________

Geweldig Kees, je lied over Koomen. Complimenten zijn niet overdreven.

GertJan Kipping op twitter

______________________________________________________

Ik zie @wennekendonk wel eens zitten voor de Coffee Company. Voortaan denk ik: daar zit de man van dat lied over Theo Koomen #prachtig

Frank Heinen, schrijver, op twitter.

______________________________________________________

Ik heb trouwens je nummer gehoord! Mooi hoor!!

Susan Zeegers, singer songwriter.

_______________________________________________________

"Dynamiek, hardzacht ook ten aan''zien'' van Vleugel, hier en daar nog wat bijschaven. maar dat zal vanzelf wel gebeuren in komende opnames, weet niet of keukengerrei percussie het nou beter / mooier gaat maken. Maar verras ons ;-)
Nogmaals ..... mooi, en ik denk dat het een ''groeiliedje '' is wat gaandeweg steeds mooier word. "

Jan Schellink, multi-instrumentalist-performer op FaceBook.

_______________________________________________________

 


 

 

'Utrecht voor beginners'

op pindaconcert november 2009

 

op een tekst van Ingmar Heytze.


 

 

Taal

Hoewel het woord niet het enige is dat we hebben om elkaar te begrijpen, is het wel iets om met aandacht mee om te fietsen.

 

***

*

Waarom wij door telefoons schreeuwen


Dat mensen in telefoons schreeuwen is op zich geen nieuw verschijnsel. Dat deden wij altijd al. We merken er alleen sinds de introductie van de mobiele telefoon meer van, omdat het niet meer uitsluitend in een telefooncel of thuis gebeurt, maar waar dan ook: in treinen, op straat - wij praten  ten minste twee keer zo hard door een telefoon als in het geval de gesprekspartner naast ons zou zitten. De vraag is dus niet òf we het doen, maar waaròm.


Geschiedenis

Vanaf introductie van de telefoon, in Nederland in 1881, was 'je verstaanbaar maken' in eerste instantie vooral door de kwaliteit van de apparatuur een hachelijke zaak. Je praatte tegen een in een cilinder gevatte metalen plaatje, dat een magneetspoeltje tot stroomstootjes aanzette. Dat genereerde vervolgens aan de andere kant van een handgevlochten koperen draad, met tussenkomst van versterking weer trillingen in eenzelfde metalen plaatje. Men was gedwongen tot acrobatisch articuleren om een beetje verstaanbaar te zijn. Denk hierbij aan een Italiaanse vrouw met hoofddoek om, sigaret in de hand, die haar dochter op Sardinie belt. En heel misschien is deze oude apparatuur een reden voor ons huidige gedrag. Heel erg aannemelijk is dit overigens niet: wij starten tenslotte onze auto ook niet meer met een slingerbeweging, of dragen rudimentaire rendierenvacht vanwege het feit dat er in vroeger tijden geen zelfgemaakt vuur bestond. Wat zegt u? O jawel? Onze kleren? Ah. Maar dit terzijde dus. U begrijpt wat ik bedoel.

Buitenruimte

Heeft de beller misschien last van óns lawaai? Als de telefonist vaak gedwongen is in een kroeg, of een andere lawaaierige omgeving met een vinger in het oor te staan, dan draagt dit natuurlijk ook niet bij tot een fluistermodus in de ontwikkeling van het telefoneergedrag. Echter, vele malen meer ben ik er van overtuigd dat het om iets anders gaat. Iets dat zich het best laat omschrijven als een soort 'imaginaire binnenruimte'.

Binnenruimte

Ik bedoel hiermee: de ruimte waarin wij ons in onze gedachten verplaatsen vanaf het moment van 'Hallo', of 'Met die en die'. Of eigenlijk nog  eerder: vanaf het moment dat de telefoon gaat. Dan zijn wij namelijk al in een staat van verhoogde paraatheid tot halfzweterige paniek. Iemand probeert ons te bellen! En wij hebben nog niet opgenomen! O jee! Wat zal die ander wel niet denken?!  Gauw opnemen. Hierna voltrekt zich een reactie die zich het beste laat omschrijven als een situatie waarin een zich hypnotiseur noemende bedrieger bij degene waarmee hij zijn gemeenschappelijke bedrog heeft afgesproken voor de neus knipt of op de ogen blaast: algehele afwezigheid, isolatie van de werkelijkheid, cordon privé.
Soms is er sprake van een tussenstap, want op het schermpje van de mobiele telefoon kunnen wij zien wie er belt. Sommigen  overdenken, kijkend naar hun telefoon, of zij uberhaupt wel willen opnemen, en wat zij in dat geval zouden willen zeggen tegen deze persoon. Meestal doen zij hier vier of meer rinkels over, en besluiten dan vervolgens de telefoon uit te laten rinkelen om de ander niet de indruk te geven dat ze hem bewust wegdrukken. Hierbij behoort men te kijken alsof de telefoon in het geheel niet rinkelt.

Maar ook hier heeft zich, met als mogelijke energiebron de staat van verhoogde paniek, het wonder al voltrokken: wij bevinden ons plotseling in een andere space and time. Zoals je onder de douche ook wel eens jezelf plotseling terugvindt op een tropisch eiland, zo bevinden wij ons aan de telefoon in een soort imaginaire staat, of liever: een oorlogsbunker, een gemeenschappelijke hersenpan met onze gesprekspartner. Dit alles ter ondersteuning van een poging van het hoofd de omgeving geheel weg te drukken. Hierbij wordt van een diabolo, met aan de ene kant de beller, en aan de andere kant de gebelde, een uit twee zeepbellen samengesmolten dubbelbel gevormd.

Paarse, blauwe, rood- en witgekleurde rivieren sieren ineens de magische wanden van een ruimteschip, dat ons naar grote hoogten en andere, nog niet ontdekte werelddelen, sterrenstelsels en achtergrondruis uit het heelal voert.

Wetten

In die kosmos van die twee aaneengesmolten zeepbellen heersen wonderlijke wetten. De eerste van die wetten is, dat je eigen stemgeluid voor jezelf in het geheel onhoorbaar is. Je wordt een musicus op een podium zonder monitor: je gaat onherroepelijk vals en te dicht bij de microfoon zingen. De ruimtecel is blijkbaar geluidsdicht met honderd procent absorberend materiaal gecapitonneerd. (Twijfelt u aan deze wet: probeer een luide beller in de trein maar eens met gezwaai en geroep aan zijn verstand te peuteren dat i de hele coupee de eigen gedachten onmogelijk maakt:  de beller kijkt je aan zoals een vis in een zeeaquarium de dierentuinbezoeker: door een decimeterdikke ruit van duizendvoudig gelaagd veiligheidsglas). Wet twee: jij zelf bent alleen nog een STEM. Je hebt geen lichaam. Wet drie: Er bestaat geen enkele denkbare vorm van werkelijkheid buiten die kosmos. Was eerst de binnenruimte imaginair, nu is de buitenruimte dat. Een combinatie van beiden is onbestaanbaar.
In deze ruimte spreken wij nu zo hard wij kunnen, om zeker te zijn dat de ander ons hoort, gebaren er uitgebreid bij, wat we anders nooit doen, en waarmee weten wij al helemaal niet, en wij kunnen dat alles ook niet controleren, en het kan ons ook in het geheel niet schelen. Een ander zou zeggen: aan de reet roesten.

Knip

En zo telefoneren wij dus met elkaar. Wat u het beste doen kunt als u last heeft van een luide beller? Knip hem of haar vriendelijk voor de neus, en zeg in het korte moment dat hij even in uw werkelijkheid verkeert, dat degene waarmee hij spreekt als het ware naast hem zit, en knip dan weer. Ik geef geen garanties, maar er bestaat een kans dat het werkt.

Kees Wennekendonk, 22 december 2009

 


 

Klokhuis was here

Oud filmpje NPS Klokhuis "Montuur" gevonden en op youtube gezet:

Presentatrice Monique Hagen komt op bezoek in mijn atelier en vraagt hoe dat nu gaat, zo'n montuur ontwerpen en maken. 3 september 2000. Intro en outro door mij eraan vast gehermonteerd.

***


 

Het Polo de Haas-effect.

Over Poetry International, muziek en codering.

 

Vroeg in de jaren negentig bezocht ik voor het eerst Poetry International. Het programma zou om acht uur of daaromtrent beginnen, maar er was beloofd dat er van tevoren al van alles te doen was. En inderdaad - in de foyer van de Stadsschouwburg waren volop boeken, dranken en spijzen te koop, en het publiek was al in grote getale aanwezig. Op het podium zat, in een prachtig pak, met slippen, althans, zo herinner ik het me, achter een concertvleugel de bekende pianist en improvisator Polo de Haas. Toch niet de geringste, zou ik zeggen. Zijn toen nog indrukwekkende zwarte  krullenbol stak theatraal af tegen de witte achterwand, en het licht erboven toverde gepassioneerd bewegende schaduwen.
Tot mijn stomme verbazing baadde het geluid van de vleugel echter in een ruim bemeten rabarberpoel, men kletste hier anders gezegd gezellig en vrolijk doorheen, alsof de vleugel, het podium, het licht, de muziek en Polo de Haas er helemaal niet waren. Bevreemd keek ik in het rond. Was poëzie in oorlog met muziek? Waren er oorpluggen uitgedeeld? Was hier een geheime afspraak gemaakt die alleen ik niet mocht kennen? Had ik iets gemist?

Nu was het zo dat ik op dat moment in mijn carrière voor mijn plezier, en ook nog wel eens voor mijn werk in allerlei gelegenheden piano speelde, waar mensen hun eigen gang zaten te gaan, zoals in een café of op een terras. Heerlijk vond ik dat, meestal. Ik zag het als een sport om die mensen, als ze zaten te toepen, bitterballen zaten te eten, of gewoon elkaar aan de bar vrolijk verhalen stonden te vertellen, zover te krijgen dat ze ‘met de muziek mee’ gingen. Eerst in de sfeer, dan met de voetjes, dan met de stem, en dan helemaal. Ik noemde dat 'de spelende mens tegenover de spelende mens'. Het leukst was dat in de gelagkamer van Hotel van der Werff op Schiermonnikoog. Met de illustere, en toen kersverse, eigenaar Jan F. had ik daartoe een voor beide partijen aantrekkelijk arrangement: ik kon komen wanneer ik wilde, en speelde als we er allebei zin in hadden en heil in zagen. Dan regelde Jan een kamertje en eten voor me. Als we beiden hadden besloten dat het een rijp moment was, sleepten we met twee obers een klein pianootje vanuit de eetzaal de hoek om, de gelagkamer binnen. Ik nam dan tegen de zenuwen twee bier, ging drie keer naar de w.c., waar de obers altijd een beetje om moesten lachen, en ving aan met een paar lekkere jazznummers uit de jaren ’30 en ’40, om erin te komen. Gaandeweg de avond durfde ik wat meer, en sprong door de tijd via Beatles en Doors naar Tom Waits, J.JCale, Matt Bianco Joe Jackson, Sting etc., en zong daar vrolijk doorheen, zoals ik het toen quasi zelfspottend uitdrukte.
Daarbij was het de kunst om aan te voelen of een gelegenheid 'potentie' had. Dat wil zeggen: wordt het wat als je gaat spelen, is er sprake van een ontvankelijk publiek. Of, zoals een bekende cabaretier ooit eens liet optekenen: 'het publiek moet ook talent hebben'.


Gelagkamer van Hotel van der Werff.

En inderdaad, sommige avonden namen de gasten vrijwel geen notie van de muziek, hooguit ter kennisname, en werd het praatvolume evenredig aangepast aan de luidheid van het mijn spel. Tevergeefs zat ik dan achteraf met een beerenburger mij af te vragen wat ik nu anders had gedaan dan andere keren. Hoezeer ik mijn hersens ook pijnigde, helaas kon ik er nooit  wetmatigheden in ontdekken. Niet zelden eindigde ik vervolgens dronken achterin de Tox-bar , ’s eilands eerste en enige discotheek, achter limonadeglazen eilander kruidenbitter, die met gulle en begrijpende hand door de bevriende barkeeper werden ingeschonken.

‘Bons – bons - bons’. Ter controle of het ding wel werkte werd er bij de uitgang van de zaal met de binnenkant van de hand op een draadloze microfoon geklopt. Het klonk als een paar schoten voor de boeg in oorlogsgebied.
"Dames en heren, goedemiddag!” sprak de opperspreekstalmeester – “.....voordat het programma in de grote zaal begint zal Polo de Haas eerst drie gedichten van de Russische dichter (...) ten gehore brengen, die hij speciaal voor deze gelegenheid in muziek heeft vertaald. Dus, dames en heren: uw aller bijzondere aandacht voor... Polo de Haas met....". Een aanmoedigend geklap volgde, en de heer de Haas knikte, schraapte zijn handen en ving een invoelend vingervlug stuk aan. Hij had nog geen drie seconden gespeeld of de eerste bezoekers begonnen er, aanvankelijk nog gedempt, door heen te praten. Nog geen tien seconden later had zeker de helft van het publiek de draad van het gesprek weer opgepakt. En de meesterpianist speelde er rustig doorheen.
   Na de drie beloofde nummers stond hij op, sloot beheerst de klep van de piano, schudde wat handen en liep naar de bar. Het publiek begreep hieruit dat het programma in de zaal aanstonds ging beginnen, leegde zijn glazen en liep in beschaafde formaties naar de deur.

Daar lagen A-viertjes op de stoelen, die grif ter hand werden genomen. Toen iedereen binnen was, werd de zaaldeur gesloten, en dempte het licht. Laatste woorden werden in oren gefluisterd. Een spreker liep naar het katheder en schraapte zijn keel. Het was stil geworden. Het programma was begonnen.

Chaotische gedachten drongen zich tijdens de eerste dichtstrofen aan mij op. Allereerst associaties met de keren dat ik zelf vergeefs geprobeerd had echt alle mensen in een spelend publiek mee te krijgen, terwijl ik zelf reuze zin had in een avond muziek en swingen. Ook had ik associaties met een dictator die vergeefs met onbeholpen gebaren zijn volgelingen tot rust poogde te manen. Ik peinsde en wreef. Plotseling zag ik een licht. Als zelfs Polo de Haas niet ieder publiek aan zijn voeten kreeg.... Dat het dus niet perse aan mij hoefde te liggen. Dat kon wel, maar hoefde niet.
Maar wat was er aan de hand? Waarom lukte het niet? Of was het de bedoeling niet? Ik keek om mij heen, zag de dichter die voordroeg, het publiek dat aan zijn lippen hing, de man naast mij die af en toe nog eens op het A-4'tje tuurde in het duister van de theaterzaal... en toen begreep ik het. 
Al was Maria Callas uit het dodenrijk opgestaan om spontaan te gaan zingen in de foyer, er zou niet op gereageerd worden. Al was daar een opgezette mammoet plotseling oertrompetterend in beweging gekomen, al had er een echte Rembrandt aan de muur  gehangen, al had Gorter er zijn 'Mei' opgedragen, al had er een space-shuttle op de terugweg van Mars met de eerste echte levende aliens door de drank- en spijzenruimte gelaveerd: het publiek had er geen aandacht voor gehad. Daar was het niet voor gecodeerd. Het programma begon pas in de grote zaal. Aha. Voila.

Ik besloot dit het Polo de Haas-effect te noemen.

Wilt u dus dat uw publiek naar u luistert: zorg dat zij lekker gegeten hebben, dat zij gedoucht, geknipt en geschoren zijn, uitgaanskleren hebben aangetrokken, dat zij weten waarvoor zij naar u toe gaan, en druk hen ten overvloede ter plekke nog het programma in de hand, sluit de deur, demp het licht: zij zullen aan uw lippen hangen.

Kees Wennekendonk juni 2009

Overigens: ik mocht onlangs vernemen, dat Polo de Haas de man was van een van de organisatrices. Zo werkt het ook nog een keer in het schnabbelcircuit.

 


                                              

 

Briefcase blues

Een gedicht van Ingmar Heytze, op muziek gezet in de geest van Randy Newman. (Brief Case Blues is natuurlijk ook 'Korte Blues van Kees')

 

 


 

Kubusgedicht.

Gedicht voor architectenbureau Wismans en de Jong, Arnhem, zesluik, op de website geprojecteerd op de binnenwanden van een kubus.

 

Het Theater van de Vorm

 

De Voorwand
(transparant)


Alles door mensen gemaakt
spreekt tot de mens
tot zijn verbazing
tot haar verbeelding
tot haar wezen en haar ziel

laten we dat nooit vergeten.

 

De Achterwand

Alles wat wij maken staat in een omgeving
- een decor -
geen plat decor, maar in een landschap
een stad, een omgeving met diepte
daarin: een gebouw
een bedachtzaam gebouw
een duurzaam gebouw
een geworteld gebouw
een onijdel gebouw
een diep gebouw
een mooi gebouw

en - ook al reflecteert zij niet
toch is zij een spiegel
dat wil zeggen:
u vindt - als het goed is - uzelf erin terug

want zo moet schoonheid zijn
houdend van zichzelf, open,
zodat ook wij van haar kunnen houden
om er onderdeel van te kunnen zijn.

 

De Linkerwand

Welkom!
Dit is de warme wand
hierop plakken wij onze dromen
verwant met onze diepste
verlangens

een toren reikend
naar nieuwe mogelijkheden
en oplossingen

vrijheid
wind en zeilen
water wijdsheid
studies naar de rand van wat er kan

hoe overtuig ik daar
en verras ik hier mijzelf?

Hier verblijven wij daar.

 

Boven

Ziehier het licht, de ruimte
de inspiratie, het onverwachte
een vonk, de klik - moment suprème
de zet die nog zonder het te weten
gebaande paden doet vergeten
en ons zonodig uit het duister redt.

Van hieruit komen onbeschroomd
maar exact op het juiste moment
volkomen nieuwe fenomenen
aan de rand van alles wat nog kan en mag
soms door toeval, hand van god
de bal die door de ruit het lijnenspel verder helpt

want daarin zit de oplossing
zo vaak verscholen:
in het uitspansel, een hand,
het licht


De Rechterwand

Hier staat ons werk opgeslagen
dit is wat wij hebben gedaan
- ons repertoire -
hier staat alles klaar om van te leren

Hier zetten wij
wat wij niet wilden vergooien
ons archief
onze kennis, twintig - dertig jaren.

Maar de potloden die wij verbeten
alle duizend - zij zijn er niet en evenmin vind je
tientallen versleten computers, kapotte floppies
foamgesneden showmodellen
nee, hier verstoffen slechts folianten
en cd's in een stoffig labyrint.

Ach, we kijken er niet zo in
ook ruimen we het niet echt op -

we weten het.

Het resultaat is toch datgene
dat u er ook van heeft:
te komen waar wij zijn.

Van hieruit gaan wij verder.


De Vloer

Dit is de basis, de werkplaats
- het toneel van het theater van de vorm -
waar alles in bedrijven wordt bekeken

van links en rechts stromen
nijvere actoren
vloeien drama, drank en koffie
vallen bekertjes, staan beperkingen
doorwerkende factoren
temidden wil en onwil
vermogen onvermogen
wel of niet uitvoerbaarheid
eindeloze rijen details die zichzelf
in felle competitie met de regeltjes
in bijbelse vaart reproduceren -

en op gepaste afstand staat onze verwondering -
kijk daar!
zij slaat ons lachend gade.

Waarom?

Omdat zij weet dat er altijd een moment komt
dat alles plotseling samenvalt
en daarmee in één keer is
waar wij zolang naar zochten.

 

 
 
 

Kees Wennekendonk, december 2008


 

 

Dalai Lama

Gedicht dd 31 maart voor de bundel ter gelegenheid van het bezoek van de Dalai Lama in Nederland, 4 en 5 juni 2009.

 

Eenzame hoogte

 

Zwemmend en in kleur
zag ik het Place du Tertre
en halverwege half zo snel
Spiderman en Rob en Bertje.
Langs de verbaasde blikken
van mijn ouders
mijn publiek
mijn oom
verliet ik hoog en droog
eenieder in mijn droom.
Op zoek naar de thermiek
de ideale vlucht
ver van bangheid en van pijn
onkwetsbaar zal ik zijn.

En als ik ooit zal landen
gelukkig zijn en blij -

Kijk daar gaat de Dalai Lama
die in omgekeerde richting
uit de hoogte daalt
wat bezielt zo’n man?

- zal men zijn tong verbranden
aan het verhalen van
de koenheid van mijn daad
die dan ook de geschiedenis in gaat
als een eeuwig staand record
in egotripperij.

                                     Kees Wennekendonk, 2009


 

 

Tweetverhaal:

het winnende 'tweet'-verhaal in 130 tekens (140 tekens min @boekenman, Chris Bajema, NRC) Uitgezonden op VPRO kunststof.

 

Ma belde. Ze sprak moeilijk. Die dag fietste ik met gebroken kunstgebit 2 keer heen en weer tussen O. en B. Oh had jij 'm, zei ze.

 

Kees Wennekendonk, 13 april 2009

 


 

 

Ik ben een landschap

Zomer 2008 kreeg ik een leuke opdracht van animatiefilmbedrijf Il Luster om op een gedicht van Toon Tellegen een lied te maken: "Ik ben een landschap".
Het resultaat moest worden dat je me op een voor scholen bedoelde DVD kon zien componeren aan het lied op poëzie. Ik heb wel wat met hekken, dus ik toog vol plezier enige weken aan het werk.
De dag dat we het gingen filmen regende het echter pijpenstelen, zodat we het binnen in mijn kelder hebben geschoten, waarna Arnoud Rijken er in de studio tekeningen aan heeft toegevoegd.

Een paar weken later was het weer prima zonnetje, en heb ik filmstudio-eigenaar Frank van Geloven gevraagd het oorspronkelijke idee, om het in Amelisweerd, in een landschap te verfilmen.
Frank heeft de film bewerkt in de studio, niet voordat Jordi Langelaan het voor elkaar heeft gekregen het geluid enigszins acceptabel te maken, waarvoor dank! (Het woei nogal in de microfoons)


 

De Serveerster.

De Serveerster - lang niet gespeeld, vind het nog steeds een vrolijk nummer. Over een mooie meid, die inderdaad danseres zou worden, die serveerde in de winkel van sinkel in Utrecht.

***

 

Achter de Schutting

Gedicht van Ingmar Heytze, op muziek van Pink Floyd geschoven,

live in Theater De Engelenbak in Amsterdam, januari 2009

 

 

 


 

Goed Hee!!

 

Man en Maan

 

Achter de Schutting

Gedicht van Heytze, op muziek van Pink Floyd's Shine on you crazy diamond

 

Het Eiland

Meer films op www.youtube.com/keeswennekendonk

 

 

VEREN

Gisteren vond ik op het strand,
tussen schelpen, touw en glas,
twee veren naast elkaar.

Een sterk en stevig als mijn vader
de andere teer en stil,
zoals mijn moeder is.

Vlak daarbij vond ik een blauw balletje -
van schuimrubber.
Dat zal ik dan wel zijn geweest.

KeesW

De premiere van de nieuwe avondvullende voorstelling 'En hij wou niet eens naar zee!' vond 4 maart 2004 in de blauwe zaal van de Stadsschouwburg Utrecht plaats.
Klik op buttons boven voor een beschrijving van de voorstelling, teksten en liedjes. De voorstelling gaat over serendipiteit, het talent het niet-gezochte te vinden.*


Ook komen sommige oudere nummers terug, zoals "Muze". Maar het meeste is spiksplinternieuw, zoals "Het meisje van de Vingerhoed", zie onder. Via deze website wordt je op de hoogte gehouden.

 


 

Luister hier een nieuw lied van Kees:


Het Eiland

 


Je zegt dat Bagdad nog elke dag in brand staat
iets wat de Tigris niet blussen kan
Je ziet het dagelijks op de televisie
er drijven lichamen aan de overkant

En wij hier in ons eigen landje
we doen ons ding zoals we dat altijd hebben gedaan
en nemen dagelijks een teug van onze vrijheid

maar luister maar niet meer naar mij

...ik wilde hier geen strijdlied
hoe kwam ik toch aan dat idee
ik wil maar een ding, dat is dicht bij je zijn
tot het ochtendlicht ons wakker maakt.

Ik neem je mee naar het eiland
en volg je sporen in het zand
en 's avonds bij de zonsondergang
gaan we zoenen op de bank bij de waddenzee

We sturen blauwhelmen naar de verste landen
konvooien vechten zich door de woestenij
Ministers schudden de onze jongens' sterke handen
en dat ze maar zorgzaam voor elkaar mogen zijn

en hier kennen we onze grenzen
voor een vluchteling die graag te gast zou willen zijn
dat is dan onze vertaling van gastvrijheid

Maar luister maar niet meer naar mij

ik wou hier geen protestlied
dat is nu echt voorgoed passé
ik wil maar een ding, dat is dicht bij je zijn
tot het ochtendmist ons wakkermaakt.

Ik neem je mee naar het eiland
en volg je sporen in het zand
en dan 's avonds bij de zonsondergang
wil ik jou om me heen in de zee

Er hing een spandoek aan een oude gevel
er ging een brandbrief naar het koninklijk paleis
er gaan geschriften rond in de grote steden
we sturen niemand op een hopeloze reis

en weer zie ik oude beelden
uit de tijd waarin mijn vader heeft geleefd
zie ik de ogen van een man na de bevrijding

De bevrijding...

 

Kees Wennekendonk
mei 2006


 

 

Sanchez

("Ready made")

 

Drie kilometer nog
en Kolobnef en Rodgers komen eraan
en wat gebeurd daar achter nog?
wie weet
we zien niks meer

deze twee, ze hebben nu echt benen gekregen
toch ga je dan rekenen
van - ik moet niet alles geven
want je mag niet alles geven
want dan ben ik zo direct...
kom daar eerst maar eens bij

Kolobnev
en ik denk dat Cancellara daar aan komt
daar komt Cancellara aan, dat kan niet anders
kijk eens
dit is een Zwitserse stoomlocomotief
dit is een achtervolging
daar komt i hoor
daar komt Cancellara

en dit is vijfentwintighonderd meter nu

en kan hij er op en erover?
hij gaat zitten
hij gaat in het wiel zitten
hij zit in het wiel bij ze
zijn... zijn eerste man Schleck
nee nu gaat i door
Schleck zit voorop
en Cancellara gaat nu
Cancellara kan dat gat dichtrijden
kijk eens aan zeg,

MAI

Cancellara, Kolobnev, Rodgers..

twee kilometer nog

Ooh die Zwitser, kan die fietsen
zo deed i het in Noord-Frankrijk
zo is t’ i wereldkampioen achtervolging geworden
en nu geeft hij even over
Cancellara en Kolobnev zijn maten
kom op.
Wat een finale!

Hij kijkt niet meer op
of hij kijkt niet meer om
Cancellara in grote doen

Rebellin denkt: wat heb ik hier?
Kolobnev probeer het nu
ze komen misschien nog met zessen bij elkaar
en dan
en dan
daar hangt het vod

wat een exploit
wat een exploit van Cancellara
waar komt i vandaan
van de maan
kijk eens aan
die  Zwitser kijkt naar helemaal niks
Nou jij

hij heeft Kolobnev daar heen gebracht
zag u dat gebaar:
‘jij rijdt het gat nu dicht’
en let op,
als hij er zo direct nog een pof op geeft

tolweg

zes man bij elkaar
wat een truc speciaal daar van van Cancellara
en als hij nog wat heeft dan gaat i nog aan ook
zodirect
hij zoekt een gaatje
Schleck als eerste
drie man van CSC
drie man van C! S! C!  bij elkaar

daar gaat-i, Cancellara
hij zet aan
hij zet aan

hij houdt in
hij houdt in
hij gaat aan
hij gaat aan

ze kijken naar hem
- nog even niet -
Kolobnev zit goed
nou gaat-i kijken

zes man voor de olympische titel tweeduizend-en-acht
en daarachter komen nog meer mensen
Rodgers, ja,
hij is geen sprinter
Rebellin nog steeds de beste papieren
zou ik zeggen

Rebellin aan de binnenkant
Kolobnev voorop
Cancellara gaat aanzetten
met die grote dieseldijen van hem

Kolobnev
Kolobnev
Rebellin
Kolobnev
en Rebellin

en daar komt Sanchez
Kolobnev nog altijd
Kolobnev
en daar komt Sanchez
Sanchez gaat eroverheen

Sanchez
Schleck
Sanchez Sanchez Sanchez

Samuel Sanchez!
Rebellin
Cancellara, Kolobnev, Schleck en Rodgers

WOW
WOW

Wat een finale
wat een finale.

                        KeesWennekendonk 11 augustus 2008
        ready made naar Mart Smeets commentaar bij de wegwedstrijd wielrennen O.S. 2008

 


 

Beluister hier

Briefcase Blues,

op een tekst van Ingmar Heytze:

Of kijk:

 

 

 

Dit hotel heeft duizend kamers

duizend lichten in de nacht

hang je jas maar aan de kapstok

wie niet weg is wordt verwacht

Je kunt bestellen wat je wilt

maar dit hotel geeft niets retour

je eindigt in een houten koffer

met een planken houten vloer

 

Je bent hier niet voor niets gekomen

en draagt net als iedereen

een zware koffer vol met dromen

voor de rest ben je alleen

je wankelt door de gangen

ziek en mateloos vermoeid

tot het handvat van verlangen

met je vingers is vergroeid

 

Dit hotel heeft duizend kamers

alle sleutels ben ik kwijt

ik loop op kaalgesleten lopers

door de kille eenzaamheid

als de nacht me heeft verslonden

heb ik verder geen verweer

 

Ik heb nog bijna niets gevonden

maar ik zoek allang niet meer

 

in heel mijn leven niets gevonden

en ik zoek al lang niet meer

 

 


Het meisje van de Vingerhoed

beluister hier een MP3 versie.


Blond en blozend bruin en blij -
het meisje van de Vingerhoed danst
elke dag met haar linnengoed
voorbij

Als zij loopt dan spitst zij roeden
Had zij ook maar het geringst vermoeden
Dat als zij langsloopt
dat waar zij langsloopt
klinkt - ooohw..

Oh - waarom kijkt hij zo zielig
Hoe - zegt hij haar wat zijn hart zegt
Hij - zou zijn hart graag verliezen
maar zij komt elke dag hier voorbij
Zij kijkt recht vooruit niet opzij

Blond en blozend bruin en blij -
het meisje van de Vingerhoed danst hem
met haar wasmand vol linnengoed
weer voorbij
Ze loopt hem voorbij
naar de wasserij
Ze loopt hem voorbij


KeesW 12-5-2003



Muze?

beluister hier een MP3 versie.


Mijn muze zit te slapen
bij de televisie van mijn vader
zij heeft de bediening van het ding
na achten niet meer in haar hand

Mijn muze is het licht
dat maandag ochtend maakt
dat door de bomen schijnt als ik
alsnog vertraagd zacht wakker word

Mijn muze kolft haar boezem
en lacht verlegen deugend
zo krijgt ze alle jongens suf
al hun pezen aan het branden

Een wang - de lucht - een borst - de zee
allen delen zij het tarten van mijn zinnen
zonder hen ontstond geen woord
geen twijfel geen beginnen

Mijn muze is het onaflatend
ademen van de aarde
een dode die me wenkt en zegt
jou krijgen ze niet onder.

KeesWennekendonk, live in 'Cappuccino'
10-4-2000


*) Serendipiteit: een onderzoeksteam checkt de onderzoekspatienten van een geneesmiddel tegen hartklachten; de patienten zijn opvallend gelukkig: de bijwerking van Viagra verkoopt beter dan de oorspronkelijke bedoeling was - Het kweekje aan de rand van het Petrischaaltje lijkt om weg te gooien, aan de rand zijn de bacterien gedood, Alexander Fleming besluit anders: de Penicilline wordt uitgevonden; Fleming ontvangt hiervoor in 1945 de Nobelprijs voor de Geneeskunde;
- men zoekt een kortere weg naar India, men vindt 'America'; voila, dat is serendipiteit.